STW-gebruikers moeten partners worden

De aandacht verdelen tussen publieke en private belangen in de onderzoeksprojecten van STW is een balanceeract. Hierbij spelen allerlei sociale processen een rol, zoals macht en gender, maar ook de volgorde van de agendapunten en de vergaderlocatie. Dat concludeert bedrijfskundige Laura Berger van de Radboud Universiteit in haar onlangs verschenen proefschrift.

 

Onderzoek Nederland, 6 november 2015

“De gebruikerscommissies vormen de kern van STW”, vertelt directeur Eppo Bruins. “Vanaf dag één, als er nog niks onderzocht is en we alleen nog maar dromen, betrekken we al geïnteresseerde gebruikers erbij.” Hoewel publiek-privaat onderzoek steeds meer gemeengoed wordt, is er geen kant-en-klare gebruiksaanwijzing voor het goed organiseren van zulke projecten. Weliswaar wordt STW regelmatig geëvalueerd en publiceert het utilisatierapporten (een soort jaarverslagen), maar daarin komen vooral de onderzoeksresultaten aan de orde en niet de sociale processen gedurende de onderzoekstrajecten. Het bestuur van STW, financier van technisch-wetenschappelijk onderzoek, wilde meer weten over de sociaalwetenschappelijke dynamiek in zo’n commissie en betaalde de promotieplaats van Berger grotendeels. Zij volgde zes STW-projecten gedurende ruim twee jaar en was verrast over de informele sfeer tijdens de besprekingen, maar ook over het beperkte aantal deelnemende vrouwen dat daaraan deelnam. Vanuit de industrie zelfs niet één.

Verder viel haar op dat er voornamelijk werd gesproken over het wetenschappelijke onderzoek, waarbij de industrie vooral luisterde. “Het blijkt lastig om een gelijke input van beide partijen te organiseren. Dat gebeurt niet automatisch als je ze bij elkaar zet.” Berger volgde projecten op het gebied van civiele techniek, werktuigbouwkunde en medische technologie. In die laatste sector ging het wel anders toe. “Daar gebruiken de wetenschappers de instrumenten van de industrie en helpen ze om die verder te ontwikkelen.” Sommige mensen uit de industrie gaven aan dat ze het onderzoek niet begrepen, of dat hun doelen niet gehaald waren. “Over het algemeen begrijpt de industrie best dat wetenschap een lange termijn vergt en is commercialisering ook voor hen niet direct het belangrijkste. Beide partijen snappen elkaars belangen.”

De program officers, die vanuit STW aanschuiven bij projecten om de voortgang te volgen, moeten zich bewust zijn van hun machtspositie en van de gevolgen van subtiele opmerkingen en acties, zoals het opstellen van de vergaderagenda of het kiezen van een vergaderlocatie, meent Berger. “Een projectleider is altijd een wetenschapper. Hij of zij moet de vergadering voorzitten en de agenda afwerken. Een groot deel van de vergadering, soms meer dan twee uur, wordt gebruikt voor de stand van zaken rond het wetenschappelijk onderzoek. Pas daarna komt het agendapunt over de praktische toepasbaarheid. Soms wordt dan gezegd: hier kunnen we nog niks mee, laten we dit de volgende keer maar doen. Terwijl dit voor STW en de industrie wel een belangrijk punt is.” Ook de keuze voor de vergaderlocatie heeft zo’n symboolwerking. Sommige projectvergaderingen werden steevast op de universiteit gehouden. Berger: “Dat wekt de indruk dat het project alleen van de universiteit is. Als de wetenschappers naar een bedrijf toe gaan, krijgen ze vaak een rondleiding en kunnen industriepartners laten zien wat ze in de praktijk doen en hoe het onderzoek van nut kan zijn. Daarmee kunnen bedrijven ook invloed uitoefenen.”

Directeur Bruins is tevreden over de uitkomsten. “Het proefschrift bevestigt dat we de afgelopen jaren aan de juiste dingen hebben gewerkt.” Maar hij ziet ook kansen voor verbetering. Zo vraagt STW projectleiders nu om de tijd strenger te bewaken en vergaderlocaties af te wisselen. Voor Bruins was het een ‘eyeopener’ dat niet alleen wetenschappers, maar ook industriepartners te maken hebben met gespleten belangen. “Ze moeten meedenken met onderzoek maar tegelijkertijd de verwachtingen van het bedrijf in het achterhoofd houden.” De belangen zijn dus verschillend en moeten volgens Bruins vanaf het begin af aan duidelijk op tafel liggen. De verschillende doelen van wetenschappers (vrij onderzoek doen dat ook toepasbaar is) zijn volgens Bruins makkelijker te verenigen. “Ik zie geen verschil tussen nieuwsgierigheid en zoeken naar een toepassing; vaak willen wetenschappers dat allebei.”

STW-program officers zijn vaak gepromoveerd in hetzelfde vakgebied als de commissieleden. “Ze moeten goed kunnen communiceren met de hoogleraren. Maar ze moeten ook een sociale antenne hebben en signaleren: wat gebeurt hier?” STW gaat het opleidings- en personeelsbeleid op dit vlak aanscherpen. Het succes van een project hangt niet alleen af van patenten, inkomsten of publicaties, maar zit ook in de opbouw van de relaties, concludeert Berger. Volgens Bruins zijn concrete momenten van kennisoverdracht tussen de deelnemers een valorisatieindicator die STW al hanteert. “We registreren het aantal keren dat er iets gebeurt in het hoofd van de gebruiker en dat kennis wordt toegepast. Dat is een strak beschreven indicator waarop we door het ministerie van EZ worden afgerekend. Met dit valorisatiebeleid lopen we al jaren voorop.”

In het wervingsbeleid kijkt STW naar mensen die niet alleen de wetenschap kennen, maar ook het bedrijfsleven. “We geven geen geld aan bedrijven, maar we zijn ons ervan bewust dat de kennisgebruikers onze klanten zijn, want zij zijn degenen die veranderingen teweeg brengen in de maatschappij.” Die gebruikers kunnen behalve bedrijven ook ziekenhuizen of publieke organisaties (bijvoorbeeld Rijkswaterstaat) zijn.

Ook in de naam gebruikerscommissie zit een vooringenomenheid, meent Berger. Zij pleit voor de naam ‘partnercommissie’. Bruins vindt het een goede suggestie. “Partnercommissie drukt precies uit wat het is.” Maar een naamswijziging zegt hij niet toe.